Gare du Nord

Ik wilde mijn stad, Antwerpen, ontvluchten, dus ging ik naar Parijs. Ik had te veel van hetzelfde gezien, steeds dezelfde ex’en, steeds dezelfde bars, steeds dezelfde gesprekken. En vooral steeds dat zelfde bed van mij dat al sinds een jaar leeg staat.

Dus reisde ik naar de stad der romantiek, Parijs.

Eens aangekomen viel het me al snel op dat ik vooral heel veel alleen was. Eigenlijk nog meer dan in mijn eigen stad omdat er nu niemand was om mijn gedachtestromen tegenaan te gooien.

Dus wandelde ik alleen door de duizenden toeristen aan de Notre Dame en ging ik alleen op restaurant. Tijdens mijn eenzame dinertjes probeerde ik te kijken alsof ik zo iemand ben die dit  bewust doet. Ja, alleen op restaurant gaan is verfrissend en verruimend voor de ontwikkeling van de psyche. Ja, ik ben een vrouw van de wereld die daar daarbij ook nog eens geniet van een espresso – alleen – alleen – alleen.

Mijn eerste nervous breakdown voltrok zich in de plaatselijke supermarkt. Ik werd plots gegrepen door een pak koeken van het merk ‘Pepito’. De koekjes deden me denken aan de reizen die ik als kind maakte in Frankrijk. De nostalgie greep me danig aan dat ik in tranen uitbarstte, in rayon 10 van die Parijse supermarkt.

Ik fluisterde mezelf toe dat dit nodig was. Mensen moeten soms alleen op citytrip. En vooral: mensen moeten blijven bewegen als ze niet willen wegkwijnen.

Ik nam de metro en tuurde in de verte. Aan de halte ‘Gare du Nord’ tikte iemand op mijn venstertje. Er stond een grote zwarte man op het perron met een bezweet bovenlijf. Hij keek recht in mijn ogen, wees met zijn hand naar zijn mond en deed me het teken dat ik moest lachen.

Ik schaamde me dood dat ik hier al dagen lang lamlendig door de straten liep in de mooiste stad ter wereld. Ik lachte en besloot om er iets van te maken, om hier simpelweg te zijn. 

Het zijn de vreemden die ons boodschappen brengen, die ons zeggen hoe we kunnen leven.

Ik begon bij het begin, namelijk: mijn bed vullen. Ik stortte me op de app die ontwikkeld is om emotionele leegtes – en bedden – te vullen. Ik kreeg al snel een bericht van een man: ‘tu veux qu’on se retrouve?’

(Wat hou ik van de Franse taal, een vreemde die me zegt dat we elkaar terug kunnen vinden, à la recherche du temps perdu, terugvinden wat er nooit geweest is.)

Ik vond hem terug op een verlaten petanque veld, hij was groot en had donkerbruine krullen. Hij nam me mee naar zijn appartement, bood me wijn uit Saint-Tropez aan en droeg me naar zijn bed.

Overschotten van liefde en tederheid die we overdag nergens kwijt konden in deze hectische stad, werden hier – tussen deze vier muren – gelost.

Na onze vrijpartij stond hij naakt te dansen op les amours perdus van Gainsbourg en schreeuwde: ’J’ai adoré de faire l’amour avec toi!’

Hij kroop terug in bed en ik zei ‘moi aussi.’ We deden het nog een keer en hij bleef maar in mijn oor fluisteren: ‘j’adore, j’adore’, j’adore…’

Hij vroeg me wanneer ik terug kwam, en hoewel ik die middag met de Thalys terug naar Antwerpen zou vertrekken om de werkweek te hervatten zei ik: ‘vendredi.’

Jane Birkin & Serge Gainsbourg

Advertenties

Hamlet

Er zijn mensen die verlangen naar intimiteit.
Er zijn mensen die daar zo naar verlangen dat ze denken
dat ze daar op zoek naar moeten gaan.
En dan komen ze uit bij vele mannen of vrouwen.
In mijn geval: mannen.

Zoals de man die me een naaktfoto stuurde,
de man die chatverslaafd was,
de man die van Nietzsche hield,
de man die zijn ogen dicht hield tijdens het vrijen,
de man die liever niet wilde vrijen,
de man die elke dag twee uur in bad zat,
die man die zei dat ik genot moest halen uit het onvervulbare,
enzovoort.

Soms lukt iets,
in plaats van dat het mislukt.
Dat zijn altijd mooie momenten vind ik persoonlijk.

Iets wat lukt overstijgt de mislukking,
iets wat lukt verheerlijkt de zoektocht.
‘Het is het waard geweest.’

Maar meestal voelt die zoektocht als een schreeuw in de woestijn,
niemand luistert.

Het is een dag ergens in mei 2017 en
iets was weer eens mislukt.

In die sfeer stond ik wat te dralen in mijn huis.
Er stond schimmel op de groenten die ik in een wokpan had gemixt met een restje afhaalchinees.
Het huis lag vol discoballetjes die enkele dagen geleden uit een gigantisch paasei waren ontsnapt.
Het leek even of de wereld al de intense kleuren in zich droeg en dat allemaal in mijn huis.
Maar eigenlijk was het rommel.
Rommel die ik moest opruimen.
Rommel die ik moet opzuigen met de stofzuiger.

Feit is dat de fut me al enkele weken ontbrak om dat deprimerende apparaat uit het berghok te halen.
Dus draalde ik nog wat verder in mijn huis en nam ik nog een heerlijke hap van mijn gezonde, biologisch-verantwoord, evenwichtige maaltijd die ik zonet had gemixt.
Ik ben goed bezig, ik ben goed bezig.

De bel ging.

Het was een bezorger van de Mediamarkt.
Hij was rond de 40 en later vertelde hij me dat hij uit Albanië kwam.
Deze man kwam mijn nieuwe wasmachine bezorgen.
Hij had me gevraagd om het oude toestel alvast te ontkoppelen.
Nu mag de lezer drie keer raden:
of ik die oude Miele al had ontkoppeld?

Juist, ja.

Toen hij binnenkwam zei ik hem:
‘Sorry maar ik ontkoppel niet zo graag.’
Dat begreep hij.

Tijdens het ontkoppelen van de Miele ondervond hij een lek
en vroeg me of ik een ijzeren rondje in huis had,
iets als een schroef maar dan in het rond.

Natuurlijk had ik dat niet.
Ik ken trouwens ook niemand die een ronde schroef in huis heeft.
Ofwel heeft de mensheid al zijn hele leven lang metalen rondjes om huishoudelijke problemen op te lossen
en ben ik weer de enige die van niets weet.
Dat zou ook nog kunnen.

Hij zei dat hij de wasmachine dan niet zou kunnen installeren
en maakte zich klaar om te vertrekken.

Ik zei: ‘Oké.’

Dat waren de enige woorden die ik nog over had voor iemand die zijn vertrek aankondigde.

Ik keek naar de loodzware Siemens die nu in mijn living stond.
Hoe zou ik dat ding in godsnaam alleen kunnen dragen naar het berghok?
En koppelen?

‘Is hier iemand die je kan helpen?’ vroeg de bezorger wiens geweten nu zichtbaar en godzijdank begon te knagen.

Het was even stil.

Hij dacht misschien dat er nu een sterke, intelligente, handige man met een metalen rondje tevoorschijn zou komen uit één van de kamers.
Een man die met alle gemak van de wereld een machine van honderden kilo’s zou kunnen optillen en me daarna zou kussen, me neerleggen op de houten vloer tussen al die gekleurde discoballetjes en dan heerlijk met me zou beginnen vrijen.

Maar dat gebeurde niet.
Het bleef stil.

‘Er is hier niemand’
antwoordde ik.

Ik probeerde mijn toon zo meelijwekkend te laten klinken,
een toon die van een diepe existentiële eenzaamheid getuigde,
zodat de bezorger zich emotioneel verplicht zou voelen om mij te helpen.

‘Wacht even.’

Ik wachtte
en wachtte
en wachtte.

Enkele minuten later kwam hij terug,
in zijn linkerhand had hij zo’n metalen rondje bij en zei heel trots:
‘Gevonden!’

‘Dank u’ zei ik,
en hoewel dit nu op het eerste zicht een heel normaal woord lijkt om iemand te bedanken, kwam mijn dank diep, diep vanuit mijn hart.

Even later begonnen we te praten, hij vroeg me wat voor werk ik deed en ik zei dat ik in het theater werkte.
Hij glunderde.
Hij zei me dat ik zijn naam dan vast heel mooi zou vinden.
‘Hoe heet je dan?’ vroeg ik hem.
‘Hamlet. Hamlet van Shakespeare, ken je die?’
‘Natuurlijk ken ik die. Wat een mooie naam.’
‘Bedankt.’

Nu aarzelde hij even, maar zei dan:
‘Ik zal je mijn nummer geven.
Dan kan je mij bellen, 24 uur op 24 uur.
Maakt niet uit voor wat.’

Duane Michals, the young girl's dream

Duane Michals, the young girl’s dream

 

Overgave

Hij vertelde me dat hij fan was van Nietzsche.
‘Amor fati’, de fatale liefde voor het leven.
Toen hij die filosofie voor het eerste hoorde werd hij wild enthousiast.
Hij vroeg een tatoeerder om de woorden te graveren op zijn borst.
Enkele dagen later had hij spijt.
Nu staat er een litteken op de plek waar eerst ‘amor fati’ stond.

De eerste zeven dagen van onze ontmoeting zagen we elkaar elke dag.
We aten bio-maaltijden, dronken whisky en rookten zelfrolsigaretten.
In het Frans hebben ze een mooi woord voor wat wij deden:
‘se raconter la vie.’

Op dag drie vertelde hij me een verhaal over de overgave.
Vorige zomer ontmoette hij een vreemde man in een smal staatje in Marokko.
De Marokkaanse man droeg een veel te groot kostuum en had één rotte tand.

Ze filosofeerden en praatten over het leven.
Een paar uur later nodigde de vreemde man hem uit voor het eten.
Hij kwam terecht in zijn veel te kleine huis waar een broeierige sfeer hing.
De man zette één bord op tafel en beval hem:
‘Eet!’
Hij keek bedenkelijk naar het bord.
‘Eet!’
Nu werd hij angstig en dacht: Waarom moet ik alleen eten?
‘Eet!’
En toen dacht hij: ‘Fuck it! Ik ga eten!’

Toch werd hij tijdens het eten bevangen door een vaag gevoel van misselijkheid.
Het woord ‘vergiftiging’ kwam in hem op.
Of misschien zou hij gewoon vermoord worden door 33 messteken.
Dat zou ook nog kunnen.
Waarmee hij maar wilde aangeven dat hij volledig paranoïde werd.

Hij dacht:
‘Oké, het is klaar.
Naïeve sukkel die ik ben.
Ik ben eraan.
Het gif is tot mij gekomen.’

Juist voor het moment dat hij dreigde flauw te vallen werd hij terug alert.
Hij probeerde zijn handen te bewegen en kwam tot de aangename verassing dat die nog wonderwel hun werk deden.
Of toch zeker voor een bijna dode.
Toen merkte hij op dat ook zijn voeten nog in goede conditie waren.
En nu hij er zo over nadacht vond hij dat ademen ook best prima ging.
Al bij al was hij eigenlijk niet eens misselijk, bleek plots.

Hij dacht:
‘Er is eigenlijk niets aan de hand.
Ik ben niet aan het sterven.
Ik leef.
I’m fucking alive motherfuckers!’

En dat was het moment waarop de heerlijke geuren van het gerecht eindelijk tot hem kwamen.
Peterselie, munt, koriander.
‘Dit was de lekkerste maaltijd ooit!
Het was zo lekker.
Oh, wat was het lekker.’

Hij zei me:
‘Het is een geestelijke klik.
Die volledige overgave tot het genot.
Neem het genot tot u,
onverschrokken!’

Als ik naar zijn verhalen luister denk ik:
Hier kan ik nog mijn leven lang naar luisteren.

Op dag 8 van onze ontmoeting wordt ons ritme verstoord.
Ik zeg dat ik zo naar hem verlang dat ik er bang van word.
Dat hij misschien niet hetzelfde voelt?
De tragiek van mijn vraag is dat ik er alles behalve aantrekkelijker op word.
Hij stuurt me een sms: ‘Ik ben in de war.’

Ik bel hem, hij zegt:
‘Ik ben hier niet klaar voor, het is te veel.’
Ik probeer kalm te blijven en zeg dat ik er niets van begrijp.
Hij zegt:
‘Misschien moeten we elkaar niet meer zien.’

Op dag 9 sta ik dankzij mijn toilettas die ik (godzijdank) bij hem was vergeten terug in zijn keuken.
De manier waarop hij naar me keek had iets teders,
wat me ertoe bracht hem te overtuigen tot de overgave:
‘Als je bang van ons wordt, denk dan aan dat Marokkaans gerecht.’

Nu keek hij me wat vreemd aan.
Plots werd ik me ervan bewust dat het wanhopig zou kunnen overkomen om jezelf te vergelijken met een Marokkaans gerecht.
Maar toch ging ik door:
‘We zijn maar iets aan het proberen.
We zijn simpelweg iets aan het doen.
Er zullen geen doden vallen.
Wij zijn in leven.’

En nu, op dag op 10, denk ik:
Ik ben benieuwd,
zo benieuwd, naar morgen.

Hoewel ik toch nog iets moet doen aan die paranoïde geest van me.

fall14_duane5

Duane Michals

Management van het verlangen

I. Een mogelijk begin 


Vorig jaar ontmoette ik een man met wie ik enkele minuten sprak en enkele seconden oogcontact had. Deze vreemde, mooie man bracht een sensatie in mij teweeg. Er tintelde iets in mijn lijf, iets hoopvols, een mogelijk begin.

Ik hoopte dat onze routes in de stad elkaar toevallig zouden kruisen. Het toeval wilde echter dat ik niet hém, maar zijn geliefde, Marion enkele maanden later kruiste. Ze is schrijfster en we kenden elkaar van ziens. Ze nodigde me uit aan haar tafeltje en trakteerde me op een Aperol Spritz.

Ze vertelde me dat hun relatie afgelopen was. Mijn gedachten gingen naar deze vreemde, mooie man die nu vrij bleek. Ik voelde mogelijkheden.

Maar de ontmoeting tussen Marion en ik was meer dan dat. We hadden het over de liefde, over haar teleurstellingen, over mijn teleurstellingen.

Ik zei haar dat mijn ex en ik zo ons best hadden gedaan om elkaar te beminnen, maar dat onze lijven protesteerden. Ze zei me dat ons lichaam elke vrijpartij onthoudt die niet klopt en dat we daar voorzichtig mee moeten zijn.

Marion en ik schreven elkaar mails en maakten plannen voor de toekomst. We zouden in haar chalet in de Ardennen gaan schrijven en daarna in Brussel gaan dansen.

Ondanks deze fantastische vrouw was er nog steeds die vreemde, mooie man. Ik voelde een nieuwsgierigheid die ik niet verklaarde, niet uitlegde en ook niet bedwong. Ik stuurde hem een bericht om eens af te spreken.

Had de vreemde man een gevoelig geweten? Of was hij principieel van aard? In ieder geval, nu ik zijn ex Marion had leren kennen, was het voor hem onmogelijk om met me af te spreken. Hij stelde een toevallige ontmoeting voor. Als het zou moeten zijn, zou het gebeuren. Natuurlijk ging ik akkoord.

II. Een toevallige ontmoeting
De toevallige ontmoeting met deze vreemde, mooie man vond even later plaats op een feest waar whisky werd gemengd met perensap. Ik was er samen met Anne, een goede vriendin. Ik stelde de twee aan elkaar voor en vroeg hen wat ze wilden drinken om deze feestelijke samenkomst te vieren.

Ik haalde whisky-perensap, we dronken met z’n drieën en na twee minuten zei hij dat hij weg moest. Ik was ontgoocheld en wilde even bijkomen op de wc. Daar zag ik hem kussen met een andere vrouw.

Het verhaal van Julie Cafmeyer en deze vreemde, mooie man had hier kunnen eindigen. En het was alweer geen verhaal geweest waarin een feestelijke samenkomst uitdijt in een glorieuze toekomst met kinderen en een huis ofzo. Ik zeg maar iets, ik denk ook maar luidop.

Helaas is het voor mij onmogelijk om mijn diepgaande inzichten toe te passen in de praktijk.

Ik stapte op hem af, tikte op zijn schouder, nam hem apart en vroeg:

‘Ga je met haar naar bed?’
‘Ja’
‘Is ze de liefde van je leven?’
‘Ze is niet de liefde van mijn leven, maar ze is wel troostrijk.’
‘Vrijen met iemand die niet de liefde van je leven is, doet nog meer pijn.’

Het was geen overtuigend argument. Ze gingen samen naar huis. Een groen discolicht scheen op zijn lege glas whisky-perensap waarin ik zojuist had geïnvesteerd.

Anne zag de teleurstelling op mijn gezicht. Ik probeerde mijn eer te herstellen. Ik zei haar dat ik een theorie had bedacht om nooit meer in dit soort situaties verzeild te geraken.

‘Wat voor theorie?’ vroeg ze geïnteresseerd.

‘De theorie van de mogelijkheid. Gaan naar waar er ruimte voor je is in plaats van te kicken op de afwijzing.’

Ik wandelde even later met tranen naar huis, maar had volgens mij toch een sterke indruk gemaakt met mijn theorie. Mijn tranen kwamen niet voort uit een verlangen naar hem, maar een verlangen naar iets veel groters. Een verlangen naar vervolmaking of simpelweg een aanraking.

Nicole Eisenman, another green world

Nicole Eisenman, another green world

III. Een onmogelijke ontmoeting
Een paar weken later kreeg ik een bericht van hem. Hij had die nacht te veel gedronken en wilde graag nuchter over het leven en de liefde spreken. In volle euforie belde ik Anne op. Zij was ten slotte getuige geweest van de trieste afwijzing en zal wel erg blij voor me zijn met deze prachtige, onvoorziene plotwending. Mijn stelling dat er in het leven vele mogelijkheden zijn, werd bij deze toch weer bevestigd.

Anne was minder euforisch. Zij had ook een bericht van hem had gekregen. Hij wilde met haar ook nuchter over het leven en de liefde spreken.

Ze had op het feest goed met hem gepraat in die vijf minuten dat ik whisky-perensap haalde bij de bar. Hij was betoverd door Anne. Ze is een verleidster pur sang, ze heeft niet veel tijd nodig om te overtuigen.

Dat noem ik: de helaasheid der dingen.

Hij wilde met Anne afspreken. Anne wilde met hem afspreken. Maar er was een probleem. Dat probleem was ik. Ze schreef hem dat ze mij niet wilde kwetsen. Ze vond dat de situatie tussen hem en mij er ingewikkeld uitzag.

Hij begreep dit niet en kreeg een vermoeden dat ik iets van hem wilde wat hij niet kon geven. Hij zou mij contacteren en het misverstand rechtzetten. Daarna konden zij in alle vrijheid en zonder schuldgevoel, hun ontmoeting verderzetten.

‘Dus wacht’ zei ik. ‘Hij heeft mij zojuist uitgenodigd om mij te vertellen dat hij eigenlijk tegenover jou wil zitten?’

‘Ja. Sorry.’

‘Wat was er ingewikkeld, Anne? Ik voelde me aangetrokken tot een man en hij ging met een ander naar bed. Nu blijkt dat hij ook met mijn vriendin naar bed wil. Dat zijn basisgebeurtenissen in een mensenleven. Wat ingewikkeld is, is dat jij mijn verhouding met een vreemde man hebt gecompliceerd waardoor ik nu zijn rare, neurotische, geheime aanbidster lijk.’

‘Ik heb het gedaan om goed te doen.’

‘Ik heb je toch heel duidelijk gecommuniceerd dat ik de wereld der afwijzingen voorgoed wilde verlaten? Vertel mij, waarom moet ik dan – dankzij jou – met hem in een café gaan zitten?’


IV. Oefenen in de afwijzing
Ik stuurde hem een bericht dat hij voor zijn eerste keuze moest gaan en afspreken met Anne. Plots belde hij me op. Ik besefte dat panisch worden voor de afwijzing geen oplossing was. Het enige wat ik kon doen was oefenen, ja oefenen en blijven oefenen in de afwijzing.

Met opgeheven hoofd nam ik op en luisterde.

‘Ik wilde even alle misverstanden uit de wereld helpen’ zei hij. ‘Ik heb het idee dat je iets van mij… verwacht?’

‘Ik had me gewoon verheugd op een avond die jij had aangekondigd als ‘praten over liefde en leven.’’

Ik probeerde luchtig te klinken.

‘Je toon klinkt vrolijk, maar de inhoud is zo triest.’

Ik gaf toe dat ik ontgoocheld was.

Hij zei dat het misschien lag aan mijn expectation-management.

‘Wat?’

‘Je had te grote verwachtingen bij onze ontmoeting. Door je verwachting te beheersen, kan je in de toekomst teleurstellingen vermijden.’

Ik zei hem dat een verlangen voelen geen tekort is, maar een te veel. En dat een veelheid nooit te managen is. De veelheid is is juist de kracht. Hij vond het bewonderenswaardig dat ik zo in het leven stond. Zelf ervaart hij alleen maar schaarste in deze tijd. Hij zei dat het hem speet.

Ik was uitgeput van het gesprek en mijn telefoon piepte alweer. Een mailtje van Anne. Ze had zojuist een nieuwe-maanmeditatie gedaan met een Youtube-filmpje en ze vroeg zich af of ik haar liefde goed had ontvangen. Ik keek rond in mijn living, maar vond niets.

V. Een blinde 
Ik sprak af met Marion. Of ik hem nog had gezien? ‘Ja’ zei ik, ‘meer zelfs, ik voelde me aangetrokken tot hem en wilde hem ontmoeten, maar dat is mislukt.’

Marion begreep dat ik nieuwsgierig kon zijn naar het onbekende, maar niet als dat onbekende haar ex was.

Na hun scheiding restte er alleen nog een fragiele luchtbrug tussen hen. En daar had ik aan gerammeld, meer zelfs, ik had ze besmeurd.

Zo kwamen we met z’n allen terecht in een absurde tragikomedie. Een verhaal van grootse mogelijkheden die uiteindelijk uitdraaide op niets. Een plotwending die ik niet zag aangekomen: gedegradeerd worden van hoofdrol naar bijrol in je eigen tragikomedie. Een tragikomedie met een vrolijke toon, maar een trieste inhoud.

Ik ging niet alleen van hoofdrol naar bijrol, ik verloor ook nog eens mijn zicht. Een blinde werd ik. Een blinde die de nieuwe maanliefde niet vond en de fragiele luchtbrug niet zag.

Ik heb geschreeuwd, gebeld en geschreven en ik heb de vreemde, mooie man nooit gesproken. Ik heb Marion niet leren kennen. En ik weet niet waar Anne op dit moment uithangt.

Ik blijf voor nu in mijn living zitten. Niets doen en wachten. Tot er iets naar beneden dwarrelt, iets nieuws, iets dat glinstert, iets dat licht geeft.

Ons verlangen

I.
Ergens in juli kreeg ik een pijnscheut te verwerken in mijn nek. Ik ging naar de kinesist, kleedde me uit en ging in mijn bh op de koude massagetafel liggen. De eerste sessie bleek het eerste hoofdstuk te zijn van zijn gehele levensverhaal.

Werkelijk al zijn levensepisodes passeerden de revue: zijn nieuw samengestelde gezinssituatie, hoeveel uur slaap hij per nacht nodig had en wat hij zoal graag at op een zondagmorgen. Dit alles samengeperst in acht sessies van 30 minuten waardoor er tijdens mijn imaginaire massages helaas geen ruimte meer was voor simpelweg een stilte die misschien wat ontspanning had kunnen bieden.

Aan het eind van elke sessie richtte hij een lamp op mijn nek. Dit was een troostrijke daad: hoewel hij me was vergeten aan te raken, kon ik toch genieten van enkele warmtestralen. Warmte is goed tegen de pijn.

Elke nacht kroop ik bij mijn lief in bed. Daar probeerden we elkaar op de juiste manier aan te raken, maar op de één of andere manier wisten we niet meer hoe dat moest. Ik excuseerde me, zei dat ik niet meer kon en verliet hem. Hij zei: ‘zeg me iets dat troost biedt.’

II.
Ergens in september kreeg ik een mailtje van mijn vader:

Julie
Ik heb gezien dat je rekening negatief staat en heb 500€ gestort (renteloze lening!).
Steeds je inkomsten en uitgaven in het oog houden he?
Papa


Ik belde mijn vader en zei dat ik het overzicht kwijt was, dat ik nekpijn had en dat ik een verlieslatend bedrijf had opgericht. Hij zei dat het niet erg was.

Ik investeerde de 500 Euro in een nieuwe kinesist die zich onderscheidde door een bijscholing in triggerpoints. Ze stelde me voor om met een naaldje de spier aan te raken waar de kern van de pijn zich had verzameld. Liggend op mijn buik, met mijn gezicht in een gat dat me toeliet om te ademen, sprak ik haar bemoedigend toe om deze potentieel verlossende handeling zo snel mogelijk te voltooien.

Het naaldje raakte de desbetreffende spier en ik krijste het uit. Na de fysieke pijn loste een verdriet waarvan ik het bestaan nog niet wist. Uit het gat dat me in staat stelde om te ademen liepen nu snot en tranen.

III.
Ik contacteerde een chirurg en vroeg een operatie aan. Hij waarschuwde me dat de meeste mensen slechter uit een nekoperatie komen dan voorheen. Al die mensen hadden gehoopt op de eeuwige verlossing, maar toen ze wakker werden voelden ze nog steeds dezelfde pijn. Ze werden moedeloos om verder te zoeken van waar het wel kwam.

IV.
Ergens in oktober belandde ik bij een man in bed. Ik zei hem dat ik had genoten. Hij zei: ‘ik vond het ook wel leuk, maar niet voor een tweede keer. Dat zou slecht voor mij zijn. Hoewel het natuurlijk wel verleidelijk zou zijn om je op een zatte avond weer mee naar huis te nemen.’

Ik stond te trillen op mijn benen.

Mijn mededeling was geen vraag naar nog meer genot. Het was het delen van een verlangen.

Toen ik het verhaal aan mijn vriend Benny vertelde, zei hij: ‘alsof het verlangen een gat is dat gevuld moet worden.’

V.
Ergens in november reed ik door de savanne van Afrika tijdens een vakantie met mijn familie. Aan het stuur zat onze Tanzaniaanse gids. Zijn tanden waren geel aangeslagen omdat hij als kind jaren uit de verkeerde rivier had gedronken. Hij behoorde tot een andere wereld, ik vond hem aantrekkelijk.

Er was een moment in de jeep dat iedereen met een verrekijker naar een jaguar aan het kijken was en dat hij plots zijn hand op mijn hand legde.

Weer stond ik te trillen op mijn benen.

Toen we aan een meer stonden met zicht op duizenden roze flamingo’s vertelde hij me dat hij in God geloofde, niet in de evolutieleer, maar in God én in een hemel. Hij vroeg me: ‘en jij, waar geloof jij in?’ Ik antwoordde hem: ‘in ons verlangen.’

En toen draaide ik met mijn nek naar links, naar rechts. De pijn was weg.

alice_neel_hubert_satterfield_and_his_girlfriend_1958-e1478688513972

schilderij van Alice Neel

Telefoongesprek met een ex-god vanuit een prachtig park in Groningen



Hij was verliefd geworden op iemand anders. Ik kende het meisje. 



‘Ik vind haar niet aantrekkelijk’ zei ik. 

‘Ik wel.’

‘Hebben jullie seks?’ 

‘Alleen als zij wil.’



‘Zijn jullie dan samen?’ vroeg ik.
‘Nee. Of ja. We hebben ‘iets’. Iets open, iets vrij.’
‘Dan is je droom dus in vervulling gegaan?’ vroeg ik. 

‘Mijn droom is in vervulling gegaan. Alleen heb ik ontdekt dat mijn droom, toch mijn droom niet was.’

‘Jij wil alleen iets wat niet is, toch? zei ik. ‘Jij wil iets dat nooit benoemd kan worden. Omdat het dan zogezegd niet bestaat en je het zogezegd niet kan kwijt spelen. Een vriendin van me zegt: ‘wie wil liefhebben, moet bereid zijn om te verliezen.’’


Ik weet niet of ik over mezelf sprak of over hem. Ik was voornamelijk geïrriteerd omdat ik naar zijn klaagzang moest luisteren.



Ik vond hem zwak klinken.

Meer dan een jaar had ik deze man verafgood. Wie een mens verafgoodt, doodt hem tegelijkertijd. Je zet hem op een voetstuk en vroeg of laat kan hij alleen maar te pletter storten. 

En nu blijkt mijn ex-god niet alleen van vlees en bloed te zijn, nee, hij blijkt ook nog eens in staat om te beminnen.


‘Ik heb veel aan je gedacht de laatste tijd. Het doet iets met een mens, afgewezen worden’ zei hij.



Ik was te trots om hem te bedanken voor het begrip.



‘Zeg me alstublieft niet dat je verliefd op haar bent’ zei ik. 



‘Waarom niet?’ 



‘Omdat verliefd worden op een mogelijkheid die niet mag worden ingelost niet telt.’



‘Iedereen houdt zich toch vast aan mogelijkheden in een leven? Jij toch ook in je relatie?’

Ik dacht aan mijn vriend en keek naar een fontein, het water glinsterde in de zon.

‘Ik weet wat ik heb aan mijn relatie. Ik weet wat er is en wat er niet is. Ik heb niet de hoop dat wat niet is, nog komt. Ik wacht niet op een wonder.’



Nu vond ik mezelf zwak klinken. 


‘Verlang jij dan niet, Julie?’ Ik word de laatste tijd zo overmand door een ‘vangdrang’. Ja, ik wil haar vangen.’



Ik lag nu in het gras. Enkele kleine eendjes waggelden voorbij. Ze zagen er gelukkig uit. 



‘Wat was het woord dat je steeds gebruikte om onze relatie te beschrijven?’ vroeg hij. 

‘Destructief’

‘Ja, dat is wat ik met haar heb. Destructief.’



‘Succes ermee’ zei ik

en ik hing op. 









Koerdistan

De legermannen op Antwerpen Centraal stonden zich te vervelen met hun gigantische geweren. Eén van de twee zat te hele tijd te frutselen aan zijn trekker waardoor er in mijn rechteroor een indringend geluid van geklik binnendrong. Er spelen zich tegenwoordig onheilspellende nieuwsberichten af in mijn hoofd: ’verdwaalde kogel raakt onschuldige, jonge vrouw op weg naar de Dordogne.’ 



Ik verwijderde me op een zo onverdacht mogelijke wijze van de mitrailleurs. Een verdwaalde kogel zou een te zinloos einde zijn. Ik moet in leven blijven. Er wacht een lavendelstruik, een sterrenhemel en een zwembad op mij.


‘Hier ben je veilig’ fluisterde ik mezelf toe bij mijn aankomst in Frankrijk. Hoewel de criminaliteitsstatistieken in dit Franse bos erg laag liggen, was er toch een bepaald geluid dat me nachten wakker hield. Het zal de wind wel zijn of een hert dat de rozen aan het raam zit op te peuzelen. Maar het geritsel aan mijn raam bleef doorzeuren. Ik beeldde me een man in met een zilveren bijl die mijn raam probeerde te openen. Nieuwsbericht: ‘jonge, onschuldige vrouw wordt onthoofd op het Franse platteland.’

Enkele dagen later nam ik het vliegtuig naar huis. Er stonden acht politieagenten paraat in de vertrekhal. Ze gaven me een geruststellend knikje. Ik gaf hen een knikje terug dat getuigde van het feit dat ik blij ben dat ik leef en dat liefst zo wil houden. Het leek me goed dat ze dat wisten. Ik kan het niet genoeg zeggen. Ik wil in leven blijven. 


Ondanks mijn oprechte levenslust trof ik in de wachthal helaas al snel een zeer verdacht geval aan: een jongen met zwarte kleren rond de 16 jaar. Hij deed niet per se iets verdacht, maar toch zag hij er verdacht uit. Hij zag er ongelukkig uit. Misschien is hij zijn leven beu. Misschien is hij boos dat niemand hem helpt. Misschien wil hij ons allen laten boeten en bereidt hij nu een collectieve crash voor. Als hij een Kinderbueno uit de automaat haalt denk ik: zou dit zijn laatste avondmaal zijn?

Aangekomen op Charleroi Airport moest ik me door een gigantische omleiding bewegen. Ik vroeg de legermannen zo onverdacht mogelijk waar ik de bussen kon vinden richting het station. Helaas kan ik me heel slecht oriënteren bij omleidingen waar legermannen en mitrailleurs in de buurt staan, dus speelde ik de weg kwijt. Op een verlaten parking kwam er een man naar me toe. Voor vijf Euro kon hij me in een gedeelde taxi naar het station vervoeren.


In het busje hoorde ik Spaans, Chinees en Duits. Nu moest ik alert zijn. We zijn ten slotte in Charleroi. Neemt hij een verdachte weg? Nieuwsbericht: ‘taxi-chauffeur rijdt Spanjaarden, Chinezen, Duitsers en één jonge, beloftevolle, onschuldige, ambitieuze Belgische vrouw de afgrond in.’

Foto: Helmut Newton

Foto: Helmut Newton

Ik was dan ook gerustgesteld toen ik tenslotte op tram 24 was gearriveerd richting de Amerikalei van Antwerpen. De sfeer op de 24 was goed. Ik voelde geen potentiële aanslag in de lucht hangen. Maar toch, nu ik nog in leven was, kon ik nog bestolen worden. 



Voor mij zaten er twee mannen rond de 20. Eén van hen had een rood armbandje met daarop ‘Koerdistan’ geschreven, maar het was de andere die me deed schrikken toen hij mijn koffer even aanraakte. Hierdoor kwam de reflex van mijn rechterarm in actie waardoor ik op een totaal overdreven manier mijn koffer naar mij toe trok. De man schrok. Hij was niets van plan. Hij had mijn koffer als steunpunt gebruikt. Hij wilde rechtstaan.



‘Sorry’ zei ik. ‘Echt sorry.’ De twee mannen keken me geshockeerd aan. Een paar minuten later stapte een vriend van hen op de tram. Hoewel ik hun taal niet begrijp, was het duidelijk dat ze hem in het Koerdisch de situatie uitlegden. Het verbaasde me hoe ze het verhaal met humor opsmukten. Ze kwamen niet meer bij van het lachen. 



Ik lachte verontschuldigend naar de man die er net was bij gekomen. ‘Dat was ik’ zei ik en ik wilde verdwijnen, diep, diep onder de grond, van schaamte. ‘Maar even serieus nu’ zei de man met de armband. ‘Zeg me eens eerlijk, wat had u gedacht? wat ging er echt om in uw hoofd toen hij uw koffer aanraakte?’ 



Ik keek hem aan en zei niets. Ik kon hem niet eerlijk zeggen wat ik dacht. Als ik het luidop zou uitspreken zou het niet meer dan een absurditeit zijn, een gênant waanbeeld. En juist die confrontatie ontspande me. Ik zei hem dat ik nog even moest bekomen van mijn vakantie op het platteland, dat ik wat overprikkeld was door de overgang naar de stad. 



Toen mijn halte daar was, stond ik op, keek ik naar de koffer en zei ik al grappend ‘goed, ik zal die koffer dan maar meenemen zeker?’ Ik zag dat ze de grap niet begrepen of gewoon niet grappig vonden. Toch lachten ze alle drie. Waarschijnlijk om mij een plezier te doen.