Vergeet de woestijn

Ik lig naakt op mijn groene fauteuil, in mijn linkerhand een fles Absolut Vodka. Ik filosofeer wat over de liefde. Al bij al geloof ik er niet meer in. Ik moet minder drinken. 

Ik brand een kaars. Gewoon omdat het zaterdag is en ik nood heb aan een rituele actie en ik straks misschien ga bidden. 

We zaten vorige week op restaurant en je toonde me hoe ik een zeebaars moest fileren. Je kwam een beetje dichterbij, boog je over mijn bord en ik kon me voorstellen hoe het zou zijn als we zouden kussen. Ik verlangde naar je en jij verlangde naar de woestijn. Je zei: ‘al die jaren heb ik mijn leegte proberen opvullen door vrouwen, ik moet even alleen zijn.’ 

Zelf had ik gedacht aan een woud met watervallen, onze naakte lijven omringd door pauwen en een glas sherry. Maar goed, jij wil naar de droogte. Oké dan, de woestijn is ook goed. Ik kreeg later door dat ik niet pas in het concept van de woestijn. Jij hebt eerder behoefte aan een ontmoeting met kamelen die je wezenloos aanstaren en je zeggen dat je moederziel alleen bent.

Vergeet de woestijn. Ik denk dat we het iets dichterbij moeten zoeken. Mijn slaapkamer ligt hier bijvoorbeeld op 2,6 kilometer vandaan. Maar het was nog geen elf uur ’s avonds en jij wilde weg omdat je je driften niet meer achterna wil lopen.

Ik vind dat mannen bij een eerste tête-à-tête niet over woestijnen en driften moeten praten. Mannen moeten bij een eerste tête-à-tête een huwelijksaanzoek doen.

Ik neem nog een slok Absolut Vodka. 

Enkele weken geleden stuurde je me een sms’je of je bij me kon slapen. Ik las de sms pas de volgende dag, maar als ik wakker had geweest zou ik de deur hebben geopend. Naakt. Dat zeg ik er gewoon even bij. Vervolgens zou ik onze driften hebben uitgeleefd op hoog niveau.

Nu zitten we op restaurant en zeg ik dat we naar onze lichamen moeten luisteren. Jij zegt dat het een cliché is. Ik vind dat niet waar. Ons lichaam is veel slimmer dan alle theorieën die we hier over driften, de woestijn en zeebaarzen verkondigen. Jouw lichaam kiest ervoor om naar het station te wandelen, mijn lichaam sleept zich dan ook maar voort.

Ik zeg je dat ik moe ben. Ik heb al zoveel geprobeerd. Ik heb spelletjes gespeeld, ik heb oprechte liefdesverklaringen afgevuurd, ik heb gedaan alsof de liefde een grap was, en nu zeg ik je oprecht dat ik in de liefde geloof en neem jij de trein van 23u22 naar de woestijn.

Ik lig op mijn fauteuil. De kaars brandt nog steeds en straks zal ik op mijn knieën vallen. Dan zal ik bidden. Lieve Maria, zou de liefde eens kunnen komen aanwaaien? Liefst één van de komende dagen.  

frida woestijn

Deze column verscheen in De Standaard op 12/07/18 in de reeks Zomertijd

Advertenties

Brief aan S.

S. schreef me op 9 april 2018 een brief naar aanleiding van mijn theatervoorstelling: Is this porn? No, this is love.
Dit is het antwoord:

Beste S.,

Bedankt voor je lieve brief die me geïnspireerd heeft en ook confronterend was.
Je schrijft me over de liefde voor de avondlucht, de uilen en een boom.
Je schrijft: all is full of love!
Maar dan schrijf je me over de romantische liefde.
Dat ik me misschien vergis, dat ik – hoe ik over de liefde schrijf – me te erg fixeer op die éne. Dat de liefde niet één persoon toekomt.

Ik heb die romantische liefde, die ultieme liefde inderdaad nog niet gevonden.
In de plaats daarvan heb ik een Parijse minnaar, organiseer ik trio’s, stuur ik een naaktfoto naar een onbekende barman, kortom: organiseer ik mijn intieme leven.
Soms vind ik dat hilarisch, soms diep tragisch. 

Jij schrijft me dat jij de romantische liefde wél hebt gevonden.
Jouw brief gaat dus over iets wat jij hebt en ik niet.
Misschien doe jij iets wat ik niet kan?
Je blijft herhalen dat ik me niet te veel mag focussen op die éne grote liefde,
en dat als ik hem zou vinden het waarschijnlijk toch zal mislopen
dat ik hem zou overspoelen door mijn waterval aan verlangens en dat hij dan weg zou gaan en ik weer therapieën moet organiseren om mezelf te troosten.

Het valt me op dat als vrouwen over hun verlangens praten ze vaak worden afgedaan als te veel, dat ze zichzelf wat moeten kalmeren, dat ze naar de uilen moeten luisteren. En dat als ze teleurgesteld zijn in de liefde, het hun eigen schuld is, dat ze maar rustiger hadden moeten zijn.

Wat is er mis met een vrouw die verlangt? Is ze lelijk? Is ze wanhopig? Is ze zielig? Is ze eenzaam? Is ze bedreigend? Is ze gevaarlijk? 

Chris Kraus schrijft in haar boek I love Dick dat verlangen niet voortkomt uit een leegte, maar uit een te veel. Een claustrofobie in eigen lichaam. Zo voelt mijn verlangen ook, als een te veel. Als iets dat ik uit mijn lichaam wil schreeuwen, als iets dat soms pijn doet, omdat ik vind dat er te weinig weerklank is. 

Jij floreert in je brief over wat jij hebt gevonden en ik niet. Misschien wil je me inspireren. Maar feit blijft: ik heb geen geliefde en jij wel. Misschien was jouw brief betekenisvoller voor me geweest als je me had warm gemaakt en me daarna had uitgenodigd in een bos waar we samen naar die uil hadden kunnen luisteren. Maar dat kan dus niet.

Er wordt vaak tegen mensen die op zoek gaan naar de liefde gezegd dat ze kalm moeten blijven, dat ze eerst alleen moeten zijn, dat ze van zichzelf moeten leren houden. Ze moeten eigenlijk heel veel om hun verlangen te doorstaan. 

Ik denk dat we dat verlangen niet moeten doorstaan. Ik denk dat we ons verlangen mogen vieren. De vraag is alleen: hoe?

Jij doet enkele suggesties in je brief. Je raadt me een liefde aan als een voorzichtig beekje dat stilaan groeit en zich langzaam maar zeker in het landschap snijdt. Breder en dieper en dieper en dieper. Je vindt dat de mannen die ik beschrijf in mijn werk overkomen als zomerse stortregens. Ik citeer je: ‘En die doen zoiets niet. Die zetten kort alles onder water, zorgen ervoor dat de geuren even intens opflitsen en ondanks dat het heerlijk kan zijn om met open armen naar buiten te lopen en zonder regenjas de regen in te duiken is voor je het beseft alles weer verdampt en opgedroogd. En misschien is die intense stortbui alleen maar daardoor zo heerlijk. Omdat je weet dat het voorbij zal gaan, drunk on love!’

Lieve S., dan komt er nu een bekentenis is. Ik lag vorige week met een man in bed, ik was echter zo dronken dat ik oprecht niet weet of zijn arm over me heen lag of ik die gedroomd heb. Kunnen mensen een gewicht op hun lichaam verzinnen? Een schim voelen? In ieder geval, vond ik de man naast me geen mislukkeling, misschien dat ik er daarom niet aan ben begonnen. 

Mijn voorstelling gaat dus over een vrouw die verlangt naar liefhebben maar daar om de één of andere reden niet in slaagt. We zullen even in het midden laten of ik de vrouw zelf ben. Misschien heb ik haar verzonnen. Ik hoop het. 

Hoewel er misschien weinig vragen staan in deze brief, kijk ik uit naar je antwoord. Als je het goed vindt, zet ik deze ook op mijn blog. Ik hou ervan als mijn leven mijn werk beïnvloedt, en omgekeerd.

dikke kus, 

Julie

Ryan McGinley

Ryan Mcginley, youth laid bare

Meisjes

Het was première van onze theatervoorstelling geweest, we waren dus aan het feesten en ik zat om zes uur ’s morgens in het frituur. Ik bestelde een bicky cheeseburger en een friet speciaal. Ik sprak met een man die zich voorstelde als ‘de baas van heel dit spel hier.’ Ik zei dat hem dat het hier een prachtige zaak was en hij knalde een fles rozé Laurent Perrier Champagne open.

Een vriend van me, B., zat over me. Hij was zo dronken dat hij de eetresten uit het frituur opvrat. Ik vond het hilarisch, ik deed mee, en zo kwam het dat we om de beurt een hap van een koude frikandel namen.

De frituur-uitbater schonk nog meer champagne in en het gevolg daarvan was dat zijn handen de hele tijd over mijn been gleden. Ik zei hem dat B. mijn lief was en dat B. echt heel jaloers was. Hij geloofde het niet omdat B. alleen maar op zoek was naar eetresten.

B. en ik gingen naar de Charlatan, daar probeerde ik hem te kussen en hij weigerde. Ik dacht dat het nu wel tijd was om naar huis te gaan maar hij stelde voor om nog koffie te drinken.

Ik zei: ‘Zou het nu kunnen dat ik je net probeerde te kussen?’ Hij zei dat hij vrouwen die hij echt wijs vindt niet meteen terugkust. Ik vond het een onbevredigend excuus en volgens mij hij zelf ook want nog geen twee minuten later lag hij te slapen op het tafeltje in de koffiebar. Ik keek naar een oude man met een koffie verkeerd, hij was zeker al in de 90 en er kwam lichtbruine kwijl uit zijn mond. Ik zei B. dat we jong waren, dat we er nu van moesten genieten, maar hij werd niet wakker.

Ik had dus niets te doen, speelde wat met mijn telefoon en vroeg me af of er al een journalist over mijn theatervoorstelling had geschreven. Ik vond een twee sterren recensie. Mijn stuk over de liefde had geen dynamiek, bleek oppervlakkig omdat ik niet ‘tot de complexiteit van een relatie weet door te dringen.’

Misschien was dat wel de reden dat ik een uur later stomdronken in een studentenhuis belandde bij vrienden van B. Er was een meisje van rond de 20 dat maar lijnen coke bleef snuiven. Ze had bruine krollen, felgroene ogen en op haar trui stond ‘Fear everything do nothing.’ Ik zei: ‘je weet toch dat het exact het omgekeerde is?’ Ik kreeg geen antwoord en viel in slaap op de tafel.

Het meisje nam mijn hand, leidde me naar een zetel en legde een dekentje over me heen. Ik lag nu te slapen op een zetel in één of ander studentenhuis en kon niet meer bewegen. ‘Ik wil vrijen’ dacht ik ‘ik wil zo graag vrijen.’

Toen ik wakker werd hoorde ik het meisje mee zingen met het liedje 4 your eyez only van J. Cole. Het had iets aandoenlijks, ja ze ontroerde mij en ik vond het mooi toen ze mee rapte: ‘I might be low for the moment, but I will bounce back.’

Ik stond op, nam de trein naar huis en contacteerde een man in wie ik zin had, dat deed ik zo – ik stuurde: ‘ik heb zin in seks met jou.’ Voor de zekerheid gebruikte ik het woord ‘seks’ omdat hij volgens mij bang is van het woord ‘vrijen’. Hij denkt dat ik een romanticus ben. Hij denkt dat ik iets wil van hem, dat hij me niet kan geven. ‘Wat is je fantasie?’ vroeg hij.

Ik wilde dat hij stopte met praten en langs kwam.

Hij kwam binnen zonder iets te zeggen, kuste me en als ik een romanticus was geweest zou ik durven zeggen dat het iets teders had. Na de seks hadden we nog een kort gesprek. Hij zei dat hij niet verliefd op me was en het ook nooit zou  worden.

Ik zie deze man graag, niet op een romantische manier, niet in de zin dat ik een relatie met hem wil. Ik zie deze man graag omdat hij daarstraks in mijn bed lag en me kust hoe ik het wil. Ik zie deze man graag maar zal hem de volgende keer weer vragen om wat minder te praten.

‘Ik dring niet door tot de complexiteit van relaties.’ Meer zelfs, er staat voor mij een muur die ik probeer open te breken. Ik heb er al van alles tegen aan gesmeten: verleiding, spelletjes, liefdesverklaringen, oprechtheid enzoverder. Maar ik dring niet door. Ik – dring – niet – door.

De volgende morgen krijg ik telefoon van B. Zijn voorbije 24 uur waren verrukkelijk geweest. Hij had nog een meisje in het studentenhuis leren kennen. Ze had eigenlijk een vriendje maar zou het waarschijnlijk zo snel mogelijk uit maken. De klik was er. De seks ook. Zo zie je maar hoe makkelijk het soms kan gaan.

En ik wandelde dan maar verder door de stad en was ondanks alles toch dankbaar dat het meisje me J. Cole had leren kennen en het liedje nu uit mijn koptelefoon kwam. Op dat moment kruiste ik een ander meisje van een jaar of zes. Ze draaide rondjes op straat – ze wilde haar rok laten wapperen – ze droeg een witte bloemenkrans. Op een dag zal zij ook wel eens triest zijn over al de dingen waar ze al dan niet tot door zal dringen. Dat was de reden dat we even lachten naar elkaar.

Joseph Bellows, two women 1966

Joseph Bellows, two women 1966

Hey, ik ben het

Ik leerde hem kennen in Hsipaw, een stad in het noorden van Myanmar. Hij had een zwarte dot op zijn hoofd en op zijn rechterarm een tattoo met de woorden ‘hey, it’s me’. Ik voelde me aangetrokken tot zijn wilde uiterlijk.

Hij trakteerde me op een cocktail in een bar. Ik zei hem dat ik nog nooit zo’n overdreven knalroze cocktail had gezien en hij legde me uit dat het kwam door de pitaja, een roze cactusvrucht.

Na de cocktails stelde hij voor om me met zijn motor naar mijn hotelkamer te brengen. Ik zat nu achterop en hij fluisterde in mijn oor dat ik mijn handen over zijn middel mocht houden. Even een korte verleidingstip: raak nooit iemand aan die vraagt om aangeraakt te worden.

Mensen die aangeraakt willen worden zijn tot veel in staat, ze doen alles voor die éne aanraking. Daarom moet je hen zo ver drijven als je kan. Als ze het zelf niet meer uithouden, zullen ze jou aanraken. Vol overgave, omdat ze niet anders kunnen. En het zal de juiste plek zijn. Het is nodig om aangeraakt te worden op exact de juiste plek en dat gebeurt absoluut niet als je zelf wat in het wilde weg begint aan te raken. Concentratie. Oké.

We waren nu in mijn hotelkamer. Hij kleedde me uit en masseerde mijn hele lijf. Er was een moment dat hij mijn linkervoet aanraakte en dat ik dacht: ja, dit is het, ja, hier.

Na de massage rookte hij een sigaret op het terras van onze hotelkamer. Er vloog een vuurvliegje in cirkels om ons heen en ik besloot dat dit moment magisch was. Maar zoals dat meestal gaat met magische momenten kreeg ik het na een tijdje koud en wilde ik terug naar binnen, naar het warme bed.

Wild van enthousiasme door de vele aanrakingen die me deze nacht te wachten stonden, liep ik naar binnen. Ik had alleen niet gezien dat de schuifdeur uit glas eigenlijk gesloten was. Met een ongelofelijke knal botste ik met mijn hoofd op de glazen deur, als een vogeltje dat te pletter stort tegen een ruit. Hij lachte me niet uit, maar nam mijn hoofd vast, zijn twee warme handen op mijn hoofd, het was alsof hij de pijn uit mijn lijf zoog.

De volgende dag namen we afscheid aan de bushalte. Ik had eigenlijk nog wat willen blijven, maar mensen die reizen, denken dat ze de hele tijd moeten reizen. Achteraf bekeken denk ik dat mensen vooral aangeraakt moeten worden. Raak me nog eens aan. Ja, daar. Exact daar. Nog eens. Ja.

Ik zei: ‘Het is zo treurig dat de dingen voorbij gaan.’ Hij citeerde Boeddha: ‘Nothing is permanent. Op een dag moest je hier hoe dan ook vertrekken. En toch gaat niets voorbij, zelfs als je dood bent kom je terug, als een kakkerlak, een leeuw of een engel. We zien elkaar terug, en als het niet in dit leven is, is het ergens anders.’

Ik zei: ‘Niets is permanent en toch gaat niets voorbij?

‘Zoiets ja.’

Ik stapte in de bus. Ik zag mezelf in de ruit en wees naar de rode bult op mijn voorhoofd. Hij lachte en toonde zijn tattoo op zijn arm: ‘hey, it’s me.’

 

Deze column verscheen op 1/3/18 in De Standaard

Ken je Shakespeare?

Het was negen uur ’s morgens op 1 januari en ik stapte in een taxi die eigenlijk voor iemand anders klaarstond. Ik zei: ‘Ik weet dat ik deze taxi niet heb besteld en dat ik dronken ben, maar wil je me alstublieft naar huis brengen?’

Mijn taxichauffeur was een zwarte man van twee meter lang in een beige kostuum. Hij kwam uit Kameroen en vertelde me over zijn land terwijl er Afrikaanse muziek door de boxen klonk. Hij zei dat hij zijn land zo erg miste en hij ontroerde me.

Ik keek naar zijn handen op het stuur en zei dat ik nog nooit zo’n gigantische handen had gezien. Hij legde zijn hand op mijn hand. Ik was verwonderd door zijn warme hand, die zeker dubbel zo groot was als de mijne. Toen hij me thuis afzette, vroeg ik hem ‘kan ik je kussen?’ Ik gaf hem een kus op zijn wang en stapte uit.

Een week later spraken we af in Kelly’s Irish Pub op de Keyserlei. Ik vond het opwindend om in een bar af te spreken op nog geen twee kilometer van mijn huis, waar ik niemand kende, een bar vol toeristen waar niemand mijn taal sprak. Ik kon hier zijn wie ik werkelijk was.

Ik ging tegenover hem zitten en hij raakte me de hele tijd aan. Ik vroeg hem om ermee te stoppen, ik hou niet van aanrakingen in het openbaar. Hij zei: ‘People like you are dangerous in the dark.’

Hij vertelde me zijn levensverhaal. Hoe zijn moeder mango’s op haar hoofd droeg zodat ze zijn studies kon betalen en hij daardoor Engelse literatuur kon studeren op de universiteit. ‘Ken je Shakespeare?’ Hij stond op en voerde in het midden van Kelly’s Irish Pub vol overgave een monoloog van Othello op.

‘Maar goed, ik moest weg om verschillende redenen. Laat ons het erop houden dat de dictator van Kameroen me niet aanstaat. Ik ben naar Zwitserland gevlogen. Ik kwam aan met 65 Zwitserse frank en nu ben ik een Belg en werk ik als taxichauffeur. Vorige week was ik op een feestje in Brasschaat om een vrouw op te halen. Ik kwam binnen en iemand zei: “Oh nee, weer een vreemdeling.” Het deed pijn, maar het raakte me niet. Ik voelde een diep besef dat niemand me kwaad kan doen omdat ik hier ben geraakt, snap je?’

Ik verlangde naar nog meer verhalen dus nodigde ik hem enkele dagen later uit voor een nachtelijk bezoek. Hij belde aan en zei door de parlofoon: ‘Hey, it’s me, your reporter from the diamond city.’ Ik zette gemberthee en hij bracht verslag.

‘Weet je wat voor mij de meest mysterieuze klanten zijn? De joden. Het zijn de enige klanten die steeds zwijgen. Het is nu al vijf jaar dat ze weigeren om met me te praten. Toch ken ik hun diepste geheimen. Het gebeurt wel vaker dat ik eerst een man ga ophalen en dan een vrouw, om ze dan naar een hotelkamer te brengen. Maar dus: ze zwijgen. Tot gisteren. Ik ging een jood ophalen, hij stapte in en zei: ‘Hey, brother.’ Hij zei brother. Kun je dat geloven na al die jaren? Brother.’

Ik zei: ‘Ik voel me tot je aangetrokken omdat je over een wereld spreekt die ik nog niet ken.’ Dat was het moment dat ik de gordijnen sloot en het licht uitdeed.

 

Deze column verscheen op 8/3/18 in De Standaard

White woman

Gisteren kwam hij op bezoek. Hij is de taxichauffeur, de zwarte man uit Kameroen. Dus wie mijn vorige column las, heeft een voorsprong. Voor de anderen: geen paniek, deze column is ook te volgen zonder de vorige. Toch hoop ik dat dit een motivatie kan betekenen om op wekelijkse basis mijn teksten te lezen.

Hij staat in mijn living en vraagt me waarom ik zoveel planten heb. Ik leg hem uit dat elke plant de naam van een man draagt. Ik koop planten voor mannen die een destructief effect op me hebben, de planten herinneren me eraan dat ik hen niet meer mag contacteren.

So this is a house filled with broken promises.’

Hij neemt een gieter en geeft op een liefdevolle, geconcentreerde manier al de planten water.

Beeld je nu in dat we naar de slaapkamer gaan en dat we vrijen. Ja, ik reken op jullie verbeeldingskracht want ik heb in deze krant maar een beperkte ruimte van 3.000 tekens.

En beeld je dan in dat we ruzie beginnen te maken. Hij zegt dat ik meer van de seks heb genoten dan hij. Hij klaagt over het condoom. En hij wil dat ik ‘het’ de volgende keer helemaal scheer. Het is sowieso al een beetje geschoren, maar nu moet ‘het’ dus helemaal. ‘Het’ zal volgens hem beter kunnen ademen, en ik zal ook meer genieten van de seks.

Ik zeg dat ik liever zelf kies wat ik met mijn lichaam doe en schreeuw: ‘This is what a normal woman looks like!’ ‘Voor jou is alles een uitdaging’, zegt hij.

Ik kan niet geloven dat we nu ruzie maken over mijn lichaam en zeg: ‘Uit mijn bed. Nu. Ik wil je nu uit mijn bed.’

You are a typical white woman. Jij laat alle mannen binnen, maar als het moeilijk wordt, moeten ze weer vertrekken. Dat is jouw cultuur, kijk maar naar al die planten in je huis. Jij stuurt iedereen weg. Ik ben niet meer dan een refrein voor jou. Iedereen komt en gaat. How sad.’

‘Dus omdat ik je niet gehoorzaam, ben ik nu plots dé witte vrouw? That’s sad!

Hij maakt zich klaar om te vertrekken.

‘Zie ik je nog?’, vraag ik.

‘Ik antwoord niet op ja-neevragen, ja-neevragen zijn saai.’

‘Kijk, dat is het. Jij bent een macho en ik ben een feministe, dat is een heel slechte combinatie.’

‘Kan jij eigenlijk met een man leven? Kan jij écht met een man samenleven?’, en hij verlaat de kamer.

U voelt het al aankomen: ik heb weer een plant nodig en ik ken haar naam al. Ik ga haar deze keer echter niet zelf kopen. Ik ga de beperkte ruimte in deze nationale krant gebruiken voor een oproep.

Ik roep u op, beste lezer, de plant uit te kiezen die u het meest geschikt lijkt als afsluiter voor deze situatie. U kunt haar bezorgen aan de krantenwinkel bij mij om de hoek.

Het adres is:
Paardenmarkt 32
2000 Antwerpen.
Graag een kaartje erbij zodat ik u kan bedanken.

 

Deze column verscheen op 15/3/18 in De Standaard

Beauty, beauty, beauty

Ik ben in Myanmar en hij gidst me door de bergen langs een gouden tempel, een warmwaterbron en een liggende boeddha. Hij is jong, mooi en hij draagt een rood petje.

‘Het belangrijkste tijdens onze wandeling is: bewust zijn. Als je moe bent, zeg je: tired, tired, tired. Als je honger hebt, zeg je hungry, hungry, hungry. En als je schoonheid ervaart zeg je beauty, beauty, beauty. Blijf de woorden herhalen. Ga in je gevoel op, voel wat er gebeurt.’

Tijdens onze wandeling vraag ik hem: ‘Mediteer jij?’ ‘Of course, you have to control your mind. I know it’s difficult, me too, I can not calm my mind!’ Hij wijst naar een biddend meisje dat op haar knieën bij een gouden tempel zit. Ze houdt een ketting vast. ‘Ze telt de kralen, urenlang. Als je kralen telt, hoef je je eigen gedachten niet meer te aanhoren.’

We stoppen bij een warmwaterbron. Ik kijk naar een koppeltje van een jaar of 17. Het meisje zit tussen de benen van de jongen. Hij wast haar met een klein steentje. Hij gaat langs haar rug, langs haar benen en dan – zo teder – naar haar voeten.

Het meisje staat op en doet teken dat ik tussen haar benen mag liggen. Ze neemt een steentje en voert hetzelfde ritueel op mijn lichaam uit. Na het wassen ga ik in het hete water liggen, mijn hoofd naar achter geleund zodat ik de hemel zie, ik zeg: ‘hot, hot, hot.’

Ik heb honger en de gids bestelt buffalo-soep voor me. Tijdens het wachten, komt een stokoude vrouw naast me staan. Ze opent mijn hand en laat er zonnebloempitjes in vallen. Ik ben te onhandig om de pitten te pellen. Ze buigt zich over mij en een halfuur lang pelt ze elk pitje voor me – één voor één – alsof de tijd niet bestaat.

Bij zonsondergang vraagt de gids me of ik het mooiste klooster van de stad wil zien. We lopen door een gouden poort en in de schemer zie ik een liggende boeddha van zeven meter. Een monnik in een oranje kleed wacht me op en nodigt me uit in zijn gebedskamer. Hij geeft me een boek, ik sla het open en lees de beschrijving van een spirituele oefening: ‘Ga zitten op een rustige plek en houd de kleur turquoise voor ogen. Denk aan de kleur van de oceaan. Blijf er aan denken. Urenlang.’

U kunt deze spirituele oefeningen ook zelf proberen. Ja, we kunnen elkaar verlossen van onze gedachten. Ik stel deze week het volgende voor:

1. Ga naar een openbare ruimte waar u doorgaans schoonheid ervaart.

2. Kijk rond en ga naar de persoon die u op dat moment het meeste aanspreekt.

3. U buigt zich zachtjes voorover en fluistert in het oor van deze wildvreemde wat u ervaart: ‘tired, tired, tired.’ Of: ‘hot, hot, hot.’ Of: ‘beauty, beauty, beauty.’ Ga in uw gevoel op, voel wat er gebeurt.

4. U laat mij via juliecafmeyer@hotmail.com weten wat deze oefening heeft opgeleverd.

Het lijkt me een mooi experiment, bovendien heeft het iets erotisch.

 

Deze column verscheen op 22/3/18 in De Standaard