Quelques dialogues intimes dans ma chambre à coucher

Johan stuurde me vannacht een filmpje waarop hij karaoke zong op Lost van Michael Bublé. Ik zei dat ik er tranen van in mijn ogen kreeg. Hij zei ‘doe niet zo emotioneel.’ Als ik me slecht voel mag ik in zijn bed liggen en masseert hij mijn hele lijf. Hij wil soms aan mijn borsten komen, maar dan schiet ik in de lach en duw ik hem van me af. Johan valt niet op vrouwen en toch vind ik dat we geliefden zijn. Dat verklap ik hem niet, hij zou alleen maar zeggen ‘doe niet zo emotioneel.’

*
Enkele dagen geleden bleef er een jongen slapen. Hij had een zilveren oorringetje aan zijn rechteroor. Ik was bang dat ik een scheur in zijn oorlel zou aanbrengen als ik hem te bruusk beminde. Als mijn hand in de buurt van zijn rechteroor kwam, werd ik extra teder. Ik probeerde sowieso teder te zijn. Ik wilde hem aanraken, overal. Ik raakte zelfs zijn voet aan (misschien vond hij dat wat overdreven).

*
Johan vindt dat ik me seksueel moet bevrijden. Dat ik de innerlijke hoer in mezelf naar boven moet halen. Ik heb lang gedacht dat ik naar minnaars op zoek was, vluchtige seksuele ontmoetingen, een kamer vol genot, die niets met de buitenwereld te maken had. Sinds kort weet ik dat het niet waar is.

*
Maxime blijft slapen. Hij valt ook niet op vrouwen, dus de kans dat hij vannacht mijn borsten aanraakt is klein. Hij neemt een douche en zet Madonna op. Ik was vergeten dat het nummer Don’t tell me bestond en samen dansten we in mijn huis. Bij de koffie zeg ik dat ik me op zondag vaak alleen voel. Wat bedoel ik met alleen? Alleen is gewoon alleen. Alleen is een bedorven pak kaas in de ijskast en de fut niet hebben het weg te gooien. Hij zegt dat hij me volledig begrijpt en dat het bij hem niet gebonden is aan zondag, maar aan alle dagen van de week.

*
Toen de jongen ’s ochtends wakker werd zei hij dat het leek alsof hij in een aflevering van The Young Pope was beland. Aangezien The Young Pope een religieuze televisieserie is  – met als onderwerp engelen en God – denk ik dat het als compliment was bedoeld (zeker weet ik dat niet).

*
Hij zei: ’De kamer was zo licht, ik was verblind door het licht.’

*
Diezelfde ochtend vroeg de jongen waarom er geen kaders in mijn kamer hangen. Ik zei hem dat ik zelfs niet in staat ben een plant in mijn huis neer te zetten, laat staan een fotokader. Ik ben bang om me ergens vast te zetten, ik moet het gevoel hebben dat ik – waar ik ook ben – kan vertrekken.

*
Valeria Luiselli schrijft:
Ik wist dat het niet goed was vertrouwen te schenken aan de spullen in huis; dat wanneer we gewend zijn aan stilzwijgende aanwezigheid van het ene of het andere voorwerp het stuk gaat of verdwijnt. Mijn banden met de personen die me omringen werden altijd gekenmerkt door die twee manieren van discontinuïteit: ze braken of gingen in rook op.

*
Tijdens het vrijen met de jongen genoot ik. Ik denk dat ik een vijfvoudig orgasme kreeg, maar echt zeker weet ik dat niet. Ik was de tel kwijt. Toen hij vertrok, wist ik geen blijf met mezelf, ik ging gewoon liggen op mijn bed. Toen ik wakker werd keek ik rond in mijn huis, ruimde de salontafel op – zeven bierflesjes, een Duvelglas en het boek van Valeria Luiselli. Toen ik het Duvelglas in de vaatwasser had gezet, keek ik rond in mijn huis en vroeg me af of hier eigenlijk iets veranderd was (of hier ooit nog iets zou veranderen).

*
De volgende dag kwam Johan op bezoek. Ik zei hem dat ik een fotokader in mijn slaapkamer wilde. Hij nam een spijker, een hamer en hing een kader aan de muur. Over de foto konden we nog nadenken. Ik overwoog een kopie van een schilderij van David Hockney. Ik ging op bed liggen, keek naar de lege kader en kreunde terwijl hij mijn naakte lijf masseerde. Toen hij mijn borsten aanraakte, schoot ik in de lach.

*
Misschien zijn de mannen met wie ik seks heb, geen minnaars, maar boodschappers. Passanten die me iets meegeven. Ik zie hen graag om hun lijven, omdat ze mij kussen, om wat ze me leren. Ik begrijp alleen niet waarom ze altijd verdwijnen (ze breken of gaan in rook op).

*
Ik bel mijn vriend Benny. Ik zeg hem dat ik niets meer begrijp  – over het leven, over de liefde. Hij zegt: ‘je kan je geen beter punt voorstellen dan dat, nu kan je weer verder.’

*
Die ochtend maakte ik in mijn hoofd foto’s van het gezicht van de jongen. Eerst zijn lippen, dan de oorbel aan zijn rechteroor, dan zijn hele gezicht, maar hij had gelijk, de kamer werd bevangen door het licht, het enige wat ik kon zien was licht, hevig licht.

*
Ik weet niet of de jongen het leuk zou vinden als ik over hem schrijf. Wie zegt dat deze jongen bestaat? Misschien maakt hij geen deel uit van mijn leven. Misschien heb ik hem verzonnen. Misschien is hij hier nooit geweest.

*
Ik zag Johan vandaag. De zon scheen, we dronken lavendelthee en aten rabarbercrumblecake met twee lepels. Ik vroeg hem of we elkaar even konden vasthouden. Ik zag dat hij aarzelde en overtuigde hem: ’niet langer dan drie seconden, beloofd.’ Ik voelde zijn magere, warme lijf. Ik heb niet geteld, maar ik weet bijna zeker dat het langer dan drie seconden duurde.

bedroom_66

David Hockney, Bedroom

Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre.

Advertenties

SILENCE IS SEXY

Ik ben in Parijs op bezoek bij één van mijn minnaars. Van vrijdag tot zondag hebben we amper een woord met elkaar gewisseld.

En dat is goed, er zijn nog veel meer communicatiemiddelen dan de taal, zoals bijvoorbeeld de liefde bedrijven.

De band ‘Einstürzende neubauten’ (nieuwbouw die op instorten staat) zingt ‘Silence is sexy’, en ze hebben gelijk. Zowel over het feit dat er vele dingen op instorten staan als over de stilte.

Op zaterdagavond trekt hij op een dwangmatige manier van zijn zelfrolsigaretten en kan ik de flessen rosé die hij leeg drinkt niet meer tellen. Hij vertelt me dat hij reclamefilmpjes maakt voor Eurosport en in de weekends drank en drugs nodig heeft.

Ik zou hem willen troosten, maar vind er de woorden niet voor.

Op zondag gaan we naar het Picasso-museum. Hij vraagt me naar mijn werk en ik vertel hem dat ik een theatervoorstelling heb gemaakt over onmogelijke liefdes. Hij zegt: ‘ik ben ook onmogelijk.’

Ik zeg dat het over meer gaat dan de onmogelijkheid. Dat ik op zoek ben naar de onthulling van ons intieme leven, als een biecht. Hij zegt het nog eens: ‘ik ben onmogelijk.’

Even later tikt hij op mijn schouder en wijst hij naar een quote van Picasso die op de muur staat van het museum:

In the past I have refused to exhibit for years at a time. I didn’t even want my paintings to be photographed. But I eventually realised I had to exhibit – lay myself bare. This requires courage. Each painting is a vial full of my blood. That’s what it was made from.

Ik lach naar hem en heb het gevoel dat hij begrepen heeft naar wat ik op zoek ben, in mijn werk, in mijn leven.

‘Wat vond jij van de tentoonstelling?’ vraag ik hem. Hij zegt me dat hij er niets van kent, dus niets over kan zeggen. We zwijgen weer.

Thuis aangekomen gaan we weer in zijn bed liggen. Ondanks de sexy stilte vervelen we ons dood. Ik lees de digitale krant op mijn smartphone. Ik lees dat de merels aan een moorddadig tempo aan het sterven zijn en dat we er niets aan kunnen doen. Ik lees nog wat andere artikels waarbij ik op het eerste zicht totaal geen idee heb wat ik eraan kan doen.

Over de krant gesproken. Ik kreeg gisteren een mailtje van hen. Ze hadden me gevraagd om een proefcolumn op te sturen, ze vonden hem wel goed, maar vroegen zich af of ik ook over andere thema’s kan schrijven dan de liefde.

Even nadenken.

Ja, dat kan ik.

Ik zou over de merels kunnen schrijven, de maan, de zon, de onmogelijkheid, de kosmos, de stilte, geestverruimende thee, wankele nieuwbouw, de voordeligste fitnessclub in de Benelux, chia-zaad, ecologisch verantwoord vervoer en/of voedsel en potentiële terroristische acties. Maar ik heb er op dit moment voor gekozen om te schrijven over de liefde. In al haar facetten. Liefde, seks, obsessie en intimiteit. En tederheid. Dat is ook nodig, af en toe een beetje tederheid.

Of dat oké is?

Ook hier blijft het stil.
Ik wacht nog steeds op een antwoord.

Pablo Picasso, Portrait of Dora Maar, 1937

Pablo Picasso, Portrait of Dora Maar, 1937

Gare du Nord

Ik wilde mijn stad, Antwerpen, ontvluchten, dus ging ik naar Parijs. Ik had te veel van hetzelfde gezien, steeds dezelfde ex’en, steeds dezelfde bars, steeds dezelfde gesprekken. En vooral steeds dat zelfde bed van mij dat al sinds een jaar leeg staat.

Dus reisde ik naar de stad der romantiek, Parijs.

Eens aangekomen viel het me al snel op dat ik vooral heel veel alleen was. Eigenlijk nog meer dan in mijn eigen stad omdat er nu niemand was om mijn gedachtestromen tegenaan te gooien.

Dus wandelde ik alleen door de duizenden toeristen aan de Notre Dame en ging ik alleen op restaurant. Tijdens mijn eenzame dinertjes probeerde ik te kijken alsof ik zo iemand ben die dit  bewust doet. Ja, alleen op restaurant gaan is verfrissend en verruimend voor de ontwikkeling van de psyche. Ja, ik ben een vrouw van de wereld die daar daarbij ook nog eens geniet van een espresso – alleen – alleen – alleen.

Mijn eerste nervous breakdown voltrok zich in de plaatselijke supermarkt. Ik werd plots gegrepen door een pak koeken van het merk ‘Pepito’. De koekjes deden me denken aan de reizen die ik als kind maakte in Frankrijk. De nostalgie greep me danig aan dat ik in tranen uitbarstte, in rayon 10 van die Parijse supermarkt.

Ik fluisterde mezelf toe dat dit nodig was. Mensen moeten soms alleen op citytrip. En vooral: mensen moeten blijven bewegen als ze niet willen wegkwijnen.

Ik nam de metro en tuurde in de verte. Aan de halte ‘Gare du Nord’ tikte iemand op mijn venstertje. Er stond een grote zwarte man op het perron met een bezweet bovenlijf. Hij keek recht in mijn ogen, wees met zijn hand naar zijn mond en deed me het teken dat ik moest lachen.

Ik schaamde me dood dat ik hier al dagen lang lamlendig door de straten liep in de mooiste stad ter wereld. Ik lachte en besloot om er iets van te maken, om hier simpelweg te zijn. 

Het zijn de vreemden die ons boodschappen brengen, die ons zeggen hoe we kunnen leven.

Ik begon bij het begin, namelijk: mijn bed vullen. Ik stortte me op de app die ontwikkeld is om emotionele leegtes – en bedden – te vullen. Ik kreeg al snel een bericht van een man: ‘tu veux qu’on se retrouve?’

(Wat hou ik van de Franse taal, een vreemde die me zegt dat we elkaar terug kunnen vinden, à la recherche du temps perdu, terugvinden wat er nooit geweest is.)

Ik vond hem terug op een verlaten petanque veld, hij was groot en had donkerbruine krullen. Hij nam me mee naar zijn appartement, bood me wijn uit Saint-Tropez aan en droeg me naar zijn bed.

Overschotten van liefde en tederheid die we overdag nergens kwijt konden in deze hectische stad, werden hier – tussen deze vier muren – gelost.

Na onze vrijpartij stond hij naakt te dansen op les amours perdus van Gainsbourg en schreeuwde: ’J’ai adoré de faire l’amour avec toi!’

Hij kroop terug in bed en ik zei ‘moi aussi.’ We deden het nog een keer en hij bleef maar in mijn oor fluisteren: ‘j’adore, j’adore’, j’adore…’

Hij vroeg me wanneer ik terug kwam, en hoewel ik die middag met de Thalys terug naar Antwerpen zou vertrekken om de werkweek te hervatten zei ik: ‘vendredi.’

Jane Birkin & Serge Gainsbourg

Hamlet

Er zijn mensen die verlangen naar intimiteit.
Er zijn mensen die daar zo naar verlangen dat ze denken
dat ze daar op zoek naar moeten gaan.
En dan komen ze uit bij vele mannen of vrouwen.
In mijn geval: mannen.

Zoals de man die me een naaktfoto stuurde,
de man die chatverslaafd was,
de man die van Nietzsche hield,
de man die zijn ogen dicht hield tijdens het vrijen,
de man die liever niet wilde vrijen,
de man die elke dag twee uur in bad zat,
die man die zei dat ik genot moest halen uit het onvervulbare,
enzovoort.

Soms lukt iets,
in plaats van dat het mislukt.
Dat zijn altijd mooie momenten vind ik persoonlijk.

Iets wat lukt overstijgt de mislukking,
iets wat lukt verheerlijkt de zoektocht.
‘Het is het waard geweest.’

Maar meestal voelt die zoektocht als een schreeuw in de woestijn,
niemand luistert.

Het is een dag ergens in mei 2017 en
iets was weer eens mislukt.

In die sfeer stond ik wat te dralen in mijn huis.
Er stond schimmel op de groenten die ik in een wokpan had gemixt met een restje afhaalchinees.
Het huis lag vol discoballetjes die enkele dagen geleden uit een gigantisch paasei waren ontsnapt.
Het leek even of de wereld al de intense kleuren in zich droeg en dat allemaal in mijn huis.
Maar eigenlijk was het rommel.
Rommel die ik moest opruimen.
Rommel die ik moet opzuigen met de stofzuiger.

Feit is dat de fut me al enkele weken ontbrak om dat deprimerende apparaat uit het berghok te halen.
Dus draalde ik nog wat verder in mijn huis en nam ik nog een heerlijke hap van mijn gezonde, biologisch-verantwoord, evenwichtige maaltijd die ik zonet had gemixt.
Ik ben goed bezig, ik ben goed bezig.

De bel ging.

Het was een bezorger van de Mediamarkt.
Hij was rond de 40 en later vertelde hij me dat hij uit Albanië kwam.
Deze man kwam mijn nieuwe wasmachine bezorgen.
Hij had me gevraagd om het oude toestel alvast te ontkoppelen.
Nu mag de lezer drie keer raden:
of ik die oude Miele al had ontkoppeld?

Juist, ja.

Toen hij binnenkwam zei ik hem:
‘Sorry maar ik ontkoppel niet zo graag.’
Dat begreep hij.

Tijdens het ontkoppelen van de Miele ondervond hij een lek
en vroeg me of ik een ijzeren rondje in huis had,
iets als een schroef maar dan in het rond.

Natuurlijk had ik dat niet.
Ik ken trouwens ook niemand die een ronde schroef in huis heeft.
Ofwel heeft de mensheid al zijn hele leven lang metalen rondjes om huishoudelijke problemen op te lossen
en ben ik weer de enige die van niets weet.
Dat zou ook nog kunnen.

Hij zei dat hij de wasmachine dan niet zou kunnen installeren
en maakte zich klaar om te vertrekken.

Ik zei: ‘Oké.’

Dat waren de enige woorden die ik nog over had voor iemand die zijn vertrek aankondigde.

Ik keek naar de loodzware Siemens die nu in mijn living stond.
Hoe zou ik dat ding in godsnaam alleen kunnen dragen naar het berghok?
En koppelen?

‘Is hier iemand die je kan helpen?’ vroeg de bezorger wiens geweten nu zichtbaar en godzijdank begon te knagen.

Het was even stil.

Hij dacht misschien dat er nu een sterke, intelligente, handige man met een metalen rondje tevoorschijn zou komen uit één van de kamers.
Een man die met alle gemak van de wereld een machine van honderden kilo’s zou kunnen optillen en me daarna zou kussen, me neerleggen op de houten vloer tussen al die gekleurde discoballetjes en dan heerlijk met me zou beginnen vrijen.

Maar dat gebeurde niet.
Het bleef stil.

‘Er is hier niemand’
antwoordde ik.

Ik probeerde mijn toon zo meelijwekkend te laten klinken,
een toon die van een diepe existentiële eenzaamheid getuigde,
zodat de bezorger zich emotioneel verplicht zou voelen om mij te helpen.

‘Wacht even.’

Ik wachtte
en wachtte
en wachtte.

Enkele minuten later kwam hij terug,
in zijn linkerhand had hij zo’n metalen rondje bij en zei heel trots:
‘Gevonden!’

‘Dank u’ zei ik,
en hoewel dit nu op het eerste zicht een heel normaal woord lijkt om iemand te bedanken, kwam mijn dank diep, diep vanuit mijn hart.

Even later begonnen we te praten, hij vroeg me wat voor werk ik deed en ik zei dat ik in het theater werkte.
Hij glunderde.
Hij zei me dat ik zijn naam dan vast heel mooi zou vinden.
‘Hoe heet je dan?’ vroeg ik hem.
‘Hamlet. Hamlet van Shakespeare, ken je die?’
‘Natuurlijk ken ik die. Wat een mooie naam.’
‘Bedankt.’

Nu aarzelde hij even, maar zei dan:
‘Ik zal je mijn nummer geven.
Dan kan je mij bellen, 24 uur op 24 uur.
Maakt niet uit voor wat.’

Duane Michals, the young girl's dream

Duane Michals, the young girl’s dream

 

Overgave

Hij vertelde me dat hij fan was van Nietzsche.
‘Amor fati’, de fatale liefde voor het leven.
Toen hij die filosofie voor het eerste hoorde werd hij wild enthousiast.
Hij vroeg een tatoeerder om de woorden te graveren op zijn borst.
Enkele dagen later had hij spijt.
Nu staat er een litteken op de plek waar eerst ‘amor fati’ stond.

De eerste zeven dagen van onze ontmoeting zagen we elkaar elke dag.
We aten bio-maaltijden, dronken whisky en rookten zelfrolsigaretten.
In het Frans hebben ze een mooi woord voor wat wij deden:
‘se raconter la vie.’

Op dag drie vertelde hij me een verhaal over de overgave.
Vorige zomer ontmoette hij een vreemde man in een smal staatje in Marokko.
De Marokkaanse man droeg een veel te groot kostuum en had één rotte tand.

Ze filosofeerden en praatten over het leven.
Een paar uur later nodigde de vreemde man hem uit voor het eten.
Hij kwam terecht in zijn veel te kleine huis waar een broeierige sfeer hing.
De man zette één bord op tafel en beval hem:
‘Eet!’
Hij keek bedenkelijk naar het bord.
‘Eet!’
Nu werd hij angstig en dacht: Waarom moet ik alleen eten?
‘Eet!’
En toen dacht hij: ‘Fuck it! Ik ga eten!’

Toch werd hij tijdens het eten bevangen door een vaag gevoel van misselijkheid.
Het woord ‘vergiftiging’ kwam in hem op.
Of misschien zou hij gewoon vermoord worden door 33 messteken.
Dat zou ook nog kunnen.
Waarmee hij maar wilde aangeven dat hij volledig paranoïde werd.

Hij dacht:
‘Oké, het is klaar.
Naïeve sukkel die ik ben.
Ik ben eraan.
Het gif is tot mij gekomen.’

Juist voor het moment dat hij dreigde flauw te vallen werd hij terug alert.
Hij probeerde zijn handen te bewegen en kwam tot de aangename verassing dat die nog wonderwel hun werk deden.
Of toch zeker voor een bijna dode.
Toen merkte hij op dat ook zijn voeten nog in goede conditie waren.
En nu hij er zo over nadacht vond hij dat ademen ook best prima ging.
Al bij al was hij eigenlijk niet eens misselijk, bleek plots.

Hij dacht:
‘Er is eigenlijk niets aan de hand.
Ik ben niet aan het sterven.
Ik leef.
I’m fucking alive motherfuckers!’

En dat was het moment waarop de heerlijke geuren van het gerecht eindelijk tot hem kwamen.
Peterselie, munt, koriander.
‘Dit was de lekkerste maaltijd ooit!
Het was zo lekker.
Oh, wat was het lekker.’

Hij zei me:
‘Het is een geestelijke klik.
Die volledige overgave tot het genot.
Neem het genot tot u,
onverschrokken!’

Als ik naar zijn verhalen luister denk ik:
Hier kan ik nog mijn leven lang naar luisteren.

Op dag 8 van onze ontmoeting wordt ons ritme verstoord.
Ik zeg dat ik zo naar hem verlang dat ik er bang van word.
Dat hij misschien niet hetzelfde voelt?
De tragiek van mijn vraag is dat ik er alles behalve aantrekkelijker op word.
Hij stuurt me een sms: ‘Ik ben in de war.’

Ik bel hem, hij zegt:
‘Ik ben hier niet klaar voor, het is te veel.’
Ik probeer kalm te blijven en zeg dat ik er niets van begrijp.
Hij zegt:
‘Misschien moeten we elkaar niet meer zien.’

Op dag 9 sta ik dankzij mijn toilettas die ik (godzijdank) bij hem was vergeten terug in zijn keuken.
De manier waarop hij naar me keek had iets teders,
wat me ertoe bracht hem te overtuigen tot de overgave:
‘Als je bang van ons wordt, denk dan aan dat Marokkaans gerecht.’

Nu keek hij me wat vreemd aan.
Plots werd ik me ervan bewust dat het wanhopig zou kunnen overkomen om jezelf te vergelijken met een Marokkaans gerecht.
Maar toch ging ik door:
‘We zijn maar iets aan het proberen.
We zijn simpelweg iets aan het doen.
Er zullen geen doden vallen.
Wij zijn in leven.’

En nu, op dag op 10, denk ik:
Ik ben benieuwd,
zo benieuwd, naar morgen.

Hoewel ik toch nog iets moet doen aan die paranoïde geest van me.

fall14_duane5

Duane Michals

Management van het verlangen

I. Een mogelijk begin 


Vorig jaar ontmoette ik een man met wie ik enkele minuten sprak en enkele seconden oogcontact had. Deze vreemde, mooie man bracht een sensatie in mij teweeg. Er tintelde iets in mijn lijf, iets hoopvols, een mogelijk begin.

Ik hoopte dat onze routes in de stad elkaar toevallig zouden kruisen. Het toeval wilde echter dat ik niet hém, maar zijn geliefde, Marion enkele maanden later kruiste. Ze is schrijfster en we kenden elkaar van ziens. Ze nodigde me uit aan haar tafeltje en trakteerde me op een Aperol Spritz.

Ze vertelde me dat hun relatie afgelopen was. Mijn gedachten gingen naar deze vreemde, mooie man die nu vrij bleek. Ik voelde mogelijkheden.

Maar de ontmoeting tussen Marion en ik was meer dan dat. We hadden het over de liefde, over haar teleurstellingen, over mijn teleurstellingen.

Ik zei haar dat mijn ex en ik zo ons best hadden gedaan om elkaar te beminnen, maar dat onze lijven protesteerden. Ze zei me dat ons lichaam elke vrijpartij onthoudt die niet klopt en dat we daar voorzichtig mee moeten zijn.

Marion en ik schreven elkaar mails en maakten plannen voor de toekomst. We zouden in haar chalet in de Ardennen gaan schrijven en daarna in Brussel gaan dansen.

Ondanks deze fantastische vrouw was er nog steeds die vreemde, mooie man. Ik voelde een nieuwsgierigheid die ik niet verklaarde, niet uitlegde en ook niet bedwong. Ik stuurde hem een bericht om eens af te spreken.

Had de vreemde man een gevoelig geweten? Of was hij principieel van aard? In ieder geval, nu ik zijn ex Marion had leren kennen, was het voor hem onmogelijk om met me af te spreken. Hij stelde een toevallige ontmoeting voor. Als het zou moeten zijn, zou het gebeuren. Natuurlijk ging ik akkoord.

II. Een toevallige ontmoeting
De toevallige ontmoeting met deze vreemde, mooie man vond even later plaats op een feest waar whisky werd gemengd met perensap. Ik was er samen met Anne, een goede vriendin. Ik stelde de twee aan elkaar voor en vroeg hen wat ze wilden drinken om deze feestelijke samenkomst te vieren.

Ik haalde whisky-perensap, we dronken met z’n drieën en na twee minuten zei hij dat hij weg moest. Ik was ontgoocheld en wilde even bijkomen op de wc. Daar zag ik hem kussen met een andere vrouw.

Het verhaal van Julie Cafmeyer en deze vreemde, mooie man had hier kunnen eindigen. En het was alweer geen verhaal geweest waarin een feestelijke samenkomst uitdijt in een glorieuze toekomst met kinderen en een huis ofzo. Ik zeg maar iets, ik denk ook maar luidop.

Helaas is het voor mij onmogelijk om mijn diepgaande inzichten toe te passen in de praktijk.

Ik stapte op hem af, tikte op zijn schouder, nam hem apart en vroeg:

‘Ga je met haar naar bed?’
‘Ja’
‘Is ze de liefde van je leven?’
‘Ze is niet de liefde van mijn leven, maar ze is wel troostrijk.’
‘Vrijen met iemand die niet de liefde van je leven is, doet nog meer pijn.’

Het was geen overtuigend argument. Ze gingen samen naar huis. Een groen discolicht scheen op zijn lege glas whisky-perensap waarin ik zojuist had geïnvesteerd.

Anne zag de teleurstelling op mijn gezicht. Ik probeerde mijn eer te herstellen. Ik zei haar dat ik een theorie had bedacht om nooit meer in dit soort situaties verzeild te geraken.

‘Wat voor theorie?’ vroeg ze geïnteresseerd.

‘De theorie van de mogelijkheid. Gaan naar waar er ruimte voor je is in plaats van te kicken op de afwijzing.’

Ik wandelde even later met tranen naar huis, maar had volgens mij toch een sterke indruk gemaakt met mijn theorie. Mijn tranen kwamen niet voort uit een verlangen naar hem, maar een verlangen naar iets veel groters. Een verlangen naar vervolmaking of simpelweg een aanraking.

Nicole Eisenman, another green world

Nicole Eisenman, another green world

III. Een onmogelijke ontmoeting
Een paar weken later kreeg ik een bericht van hem. Hij had die nacht te veel gedronken en wilde graag nuchter over het leven en de liefde spreken. In volle euforie belde ik Anne op. Zij was ten slotte getuige geweest van de trieste afwijzing en zal wel erg blij voor me zijn met deze prachtige, onvoorziene plotwending. Mijn stelling dat er in het leven vele mogelijkheden zijn, werd bij deze toch weer bevestigd.

Anne was minder euforisch. Zij had ook een bericht van hem had gekregen. Hij wilde met haar ook nuchter over het leven en de liefde spreken.

Ze had op het feest goed met hem gepraat in die vijf minuten dat ik whisky-perensap haalde bij de bar. Hij was betoverd door Anne. Ze is een verleidster pur sang, ze heeft niet veel tijd nodig om te overtuigen.

Dat noem ik: de helaasheid der dingen.

Hij wilde met Anne afspreken. Anne wilde met hem afspreken. Maar er was een probleem. Dat probleem was ik. Ze schreef hem dat ze mij niet wilde kwetsen. Ze vond dat de situatie tussen hem en mij er ingewikkeld uitzag.

Hij begreep dit niet en kreeg een vermoeden dat ik iets van hem wilde wat hij niet kon geven. Hij zou mij contacteren en het misverstand rechtzetten. Daarna konden zij in alle vrijheid en zonder schuldgevoel, hun ontmoeting verderzetten.

‘Dus wacht’ zei ik. ‘Hij heeft mij zojuist uitgenodigd om mij te vertellen dat hij eigenlijk tegenover jou wil zitten?’

‘Ja. Sorry.’

‘Wat was er ingewikkeld, Anne? Ik voelde me aangetrokken tot een man en hij ging met een ander naar bed. Nu blijkt dat hij ook met mijn vriendin naar bed wil. Dat zijn basisgebeurtenissen in een mensenleven. Wat ingewikkeld is, is dat jij mijn verhouding met een vreemde man hebt gecompliceerd waardoor ik nu zijn rare, neurotische, geheime aanbidster lijk.’

‘Ik heb het gedaan om goed te doen.’

‘Ik heb je toch heel duidelijk gecommuniceerd dat ik de wereld der afwijzingen voorgoed wilde verlaten? Vertel mij, waarom moet ik dan – dankzij jou – met hem in een café gaan zitten?’


IV. Oefenen in de afwijzing
Ik stuurde hem een bericht dat hij voor zijn eerste keuze moest gaan en afspreken met Anne. Plots belde hij me op. Ik besefte dat panisch worden voor de afwijzing geen oplossing was. Het enige wat ik kon doen was oefenen, ja oefenen en blijven oefenen in de afwijzing.

Met opgeheven hoofd nam ik op en luisterde.

‘Ik wilde even alle misverstanden uit de wereld helpen’ zei hij. ‘Ik heb het idee dat je iets van mij… verwacht?’

‘Ik had me gewoon verheugd op een avond die jij had aangekondigd als ‘praten over liefde en leven.’’

Ik probeerde luchtig te klinken.

‘Je toon klinkt vrolijk, maar de inhoud is zo triest.’

Ik gaf toe dat ik ontgoocheld was.

Hij zei dat het misschien lag aan mijn expectation-management.

‘Wat?’

‘Je had te grote verwachtingen bij onze ontmoeting. Door je verwachting te beheersen, kan je in de toekomst teleurstellingen vermijden.’

Ik zei hem dat een verlangen voelen geen tekort is, maar een te veel. En dat een veelheid nooit te managen is. De veelheid is is juist de kracht. Hij vond het bewonderenswaardig dat ik zo in het leven stond. Zelf ervaart hij alleen maar schaarste in deze tijd. Hij zei dat het hem speet.

Ik was uitgeput van het gesprek en mijn telefoon piepte alweer. Een mailtje van Anne. Ze had zojuist een nieuwe-maanmeditatie gedaan met een Youtube-filmpje en ze vroeg zich af of ik haar liefde goed had ontvangen. Ik keek rond in mijn living, maar vond niets.

V. Een blinde 
Ik sprak af met Marion. Of ik hem nog had gezien? ‘Ja’ zei ik, ‘meer zelfs, ik voelde me aangetrokken tot hem en wilde hem ontmoeten, maar dat is mislukt.’

Marion begreep dat ik nieuwsgierig kon zijn naar het onbekende, maar niet als dat onbekende haar ex was.

Na hun scheiding restte er alleen nog een fragiele luchtbrug tussen hen. En daar had ik aan gerammeld, meer zelfs, ik had ze besmeurd.

Zo kwamen we met z’n allen terecht in een absurde tragikomedie. Een verhaal van grootse mogelijkheden die uiteindelijk uitdraaide op niets. Een plotwending die ik niet zag aangekomen: gedegradeerd worden van hoofdrol naar bijrol in je eigen tragikomedie. Een tragikomedie met een vrolijke toon, maar een trieste inhoud.

Ik ging niet alleen van hoofdrol naar bijrol, ik verloor ook nog eens mijn zicht. Een blinde werd ik. Een blinde die de nieuwe maanliefde niet vond en de fragiele luchtbrug niet zag.

Ik heb geschreeuwd, gebeld en geschreven en ik heb de vreemde, mooie man nooit gesproken. Ik heb Marion niet leren kennen. En ik weet niet waar Anne op dit moment uithangt.

Ik blijf voor nu in mijn living zitten. Niets doen en wachten. Tot er iets naar beneden dwarrelt, iets nieuws, iets dat glinstert, iets dat licht geeft.

Ons verlangen

I.
Ergens in juli kreeg ik een pijnscheut te verwerken in mijn nek. Ik ging naar de kinesist, kleedde me uit en ging in mijn bh op de koude massagetafel liggen. De eerste sessie bleek het eerste hoofdstuk te zijn van zijn gehele levensverhaal.

Werkelijk al zijn levensepisodes passeerden de revue: zijn nieuw samengestelde gezinssituatie, hoeveel uur slaap hij per nacht nodig had en wat hij zoal graag at op een zondagmorgen. Dit alles samengeperst in acht sessies van 30 minuten waardoor er tijdens mijn imaginaire massages helaas geen ruimte meer was voor simpelweg een stilte die misschien wat ontspanning had kunnen bieden.

Aan het eind van elke sessie richtte hij een lamp op mijn nek. Dit was een troostrijke daad: hoewel hij me was vergeten aan te raken, kon ik toch genieten van enkele warmtestralen. Warmte is goed tegen de pijn.

Elke nacht kroop ik bij mijn lief in bed. Daar probeerden we elkaar op de juiste manier aan te raken, maar op de één of andere manier wisten we niet meer hoe dat moest. Ik excuseerde me, zei dat ik niet meer kon en verliet hem. Hij zei: ‘zeg me iets dat troost biedt.’

II.
Ergens in september kreeg ik een mailtje van mijn vader:

Julie
Ik heb gezien dat je rekening negatief staat en heb 500€ gestort (renteloze lening!).
Steeds je inkomsten en uitgaven in het oog houden he?
Papa


Ik belde mijn vader en zei dat ik het overzicht kwijt was, dat ik nekpijn had en dat ik een verlieslatend bedrijf had opgericht. Hij zei dat het niet erg was.

Ik investeerde de 500 Euro in een nieuwe kinesist die zich onderscheidde door een bijscholing in triggerpoints. Ze stelde me voor om met een naaldje de spier aan te raken waar de kern van de pijn zich had verzameld. Liggend op mijn buik, met mijn gezicht in een gat dat me toeliet om te ademen, sprak ik haar bemoedigend toe om deze potentieel verlossende handeling zo snel mogelijk te voltooien.

Het naaldje raakte de desbetreffende spier en ik krijste het uit. Na de fysieke pijn loste een verdriet waarvan ik het bestaan nog niet wist. Uit het gat dat me in staat stelde om te ademen liepen nu snot en tranen.

III.
Ik contacteerde een chirurg en vroeg een operatie aan. Hij waarschuwde me dat de meeste mensen slechter uit een nekoperatie komen dan voorheen. Al die mensen hadden gehoopt op de eeuwige verlossing, maar toen ze wakker werden voelden ze nog steeds dezelfde pijn. Ze werden moedeloos om verder te zoeken van waar het wel kwam.

IV.
Ergens in oktober belandde ik bij een man in bed. Ik zei hem dat ik had genoten. Hij zei: ‘ik vond het ook wel leuk, maar niet voor een tweede keer. Dat zou slecht voor mij zijn. Hoewel het natuurlijk wel verleidelijk zou zijn om je op een zatte avond weer mee naar huis te nemen.’

Ik stond te trillen op mijn benen.

Mijn mededeling was geen vraag naar nog meer genot. Het was het delen van een verlangen.

Toen ik het verhaal aan mijn vriend Benny vertelde, zei hij: ‘alsof het verlangen een gat is dat gevuld moet worden.’

V.
Ergens in november reed ik door de savanne van Afrika tijdens een vakantie met mijn familie. Aan het stuur zat onze Tanzaniaanse gids. Zijn tanden waren geel aangeslagen omdat hij als kind jaren uit de verkeerde rivier had gedronken. Hij behoorde tot een andere wereld, ik vond hem aantrekkelijk.

Er was een moment in de jeep dat iedereen met een verrekijker naar een jaguar aan het kijken was en dat hij plots zijn hand op mijn hand legde.

Weer stond ik te trillen op mijn benen.

Toen we aan een meer stonden met zicht op duizenden roze flamingo’s vertelde hij me dat hij in God geloofde, niet in de evolutieleer, maar in God én in een hemel. Hij vroeg me: ‘en jij, waar geloof jij in?’ Ik antwoordde hem: ‘in ons verlangen.’

En toen draaide ik met mijn nek naar links, naar rechts. De pijn was weg.

alice_neel_hubert_satterfield_and_his_girlfriend_1958-e1478688513972

schilderij van Alice Neel